Exegi monumentum
Tijdens een verblijf van veertien dagen in Rome volgde ik een zelfgekozen ritueel:
elke dag stond in het teken van één letter uit de Latijnse zin exegi monumentum aere perennius — “ik heb een monument opgericht, duurzamer dan brons”, zoals Horatius het dichtte. Ik verzamelde letters uit de stad zelf: verborgen in gevels, graffiti, schaduw, steen. Ik trackte mijn routes via GPS.

Onderweg zocht ik naar sporen van gelaagdheid: afbladderende affiches, hedendaagse kunst in klassieke musea, plantengroei tussen ruïnes — tekenen van leven tussen wat achtergelaten is.

Het resultaat is een typografisch en cartografisch reisverslag, waarin Rome niet alleen decor is, maar medespeler: een lichaam van tijd, waarin ik mijn eigen sporen achterliet, letter voor letter.
Exegi monumentum aere perennius
regalique situ pyramidum altius,
quod non imber edax, non Aquilo inpotens
possit diruere aut innumerabilis
annorum series et fuga temporum.
Non omnis moriar multaque pars mei
vitabit Libitinam; usque ego postera
crescam laude recens, dum Capitolium
scandet cum tacita virgine pontifex.
Dicar, qua violens obstrepit Aufidus
et qua pauper aquae Daunus agrestium
regnavit populorum, ex humili potens
princeps Aeolium carmen ad Italos
deduxisse modos. Sume superbiam
quaesitam meritis et mihi Delphica
lauro cinge volens, Melpomene, comam.
Oden door Horatius, boek III vers 30
Ik heb een monument voltooid
bestendiger dan brons en hoger
dan koninklijke piramiden;
geen vraatzucht van een regenbui,
geen teugelloze noordenwind,
geen eindeloze jarenrij
en vlucht der tijden breekt het af.
Volledig sterven zal ik niet,
van mijn persoon zal een groot deel
ontkomen aan de doodsgodin;
ik zal voortdurend groeien bij
het nageslacht door nieuwe roem
zolang een priester met een maagd
zwijgzaam het Capitool beklimt.
Vertellen zal men dat, geboren
waar een woeste Aufidus
rumoert, waar waterarme Daunus
over boeren heeft geheerst,
ik van lage afkomst opklom
door als eerste het Aeolisch
lierdicht tot Italische
verspatronen te verweven.
Toon de trots, Melpomene,
die mijn verdienste van U vraagt:
omwind gewillig nu mijn haren
met een lauwerkrans uit Delphi.
(Vertaling van Piet Schrijvers)